Skip to main content

Annemieke Nijhof sprak op de RLI conferentie ‘Nederland voor toekomstige generaties’ op 20 juni 2024 over ‘Verliefd worden op de toekomst’. Ze combineert haar toekomstvisie met haar persoonlijke verhaal.

 

Verliefd worden op de toekomst

 

“Wat de toekomst brenge moge

Mij geleidt des Heren hand

Moedig sla ik dus de ogen

Naar het onbekende land

Leer mij volgen, zonder vragen

Vader wat Gij doet is goed

Leer mij slechts het heden dragen

Met een rustig, kalm gemoed.”

Dit lied werd gezongen toen mijn vader en moeder bijna 62 jaar geleden in het huwelijk traden. Zij waren jong en vol verlangen. Naar elkaar én naar de toekomst. Ze waren verliefd op de toekomst.

Ze keken uit naar het leven samen: alhoewel mijn vader na drie dagen zich weer moest melden bij zijn militaire dienst en ze nog jaren moesten inwonen bij oma Ietje konden ze niet wachten op de toekomst die voor hen lag. Zij hadden geen scenario’s gemaakt over de toekomst, geen toekomstvisie voor hun 25 jarig huwelijksjubileum. Ze gingen vol vertrouwen samen de toekomst tegemoet. Ze wisten niet hoe blij ze zouden zijn met hun drie gezonde kinderen, hun eerste huis, hun eerste auto, de eerste wasmachine en caravan. Ze wisten ook niet welke tegenslagen zouden komen en hoeveel verdriet er in de toekomst zou liggen.

Het is belangrijk het verschil te begrijpen tussen verlangen en verwachten. Een verlangen is een intrinsieke energie die aanzet tot handelen om dit verlangen te bevredigen. Een verlangen is persoonlijk en komt van binnen uit. Verwachtingen daarentegen gaan vrijwel altijd over iets buiten ons zelf: dat wat de ander zal gaan doen of laten, wat de overheid, de gemeente, de buurman of je partner voor je zal gaan doen. Veel relaties bloeien op door verlangen en gaan ten onder aan niet vervulde verwachtingen. Verlangen zet aan tot geven, verwachtingen gaan over ‘ontvangen’.

De verliefdheid voor de toekomst van mijn ouders kwam voort uit verliefdheid voor elkaar en het vertrouwen dat ze samen voor- en tegenspoed aan zouden kunnen, mede vertrouwend op hun geloof.

Tot zover mijn ouders. Maar hoe zit dat met ons: deze zaal is niet gevuld met verliefde stelletjes, maar mensen die naar een conferentie zijn gekomen rond de vraag : “Welk Nederland willen en kunnen we nalaten voor toekomstige generaties?”  Zoeken wij antwoorden gebaseerd op verwachtingen of verlangen?

Denken over de toekomst

Ik neem u graag mee naar 1999, toen ik hoofd van de afdeling Toekomst was bij de Rijksplanologische Dienst. De belangrijkste opdracht was het maken van een analyse van de verwachte ontwikkelingen in de samenleving én de doorvertaling naar ruimteclaims.

In de professionele wereld ontstaan beelden, scenario’s of perspectieven uit ‘verwachtingen’. Verwachtingen gaan expliciet níet over wensen en verlangens, maar over ontwikkelingen die verwacht worden en voorstelbaar of voorspelbaar zijn. Ze ontstaan uit extrapolaties van het bestaande, uit denkwerk rond ontwikkelingen en samenhangende mechanismen. Toekomstverkenningen komen uit het hoofd, niet uit het hart.

We introduceerden de lagenbenadering: de ondergrond als basislaag, de netwerken als verbindende en structurerende elementen én de occupatielaag waarin de mens leeft, woont, werkt en recreëert. Het échte idee was dat de ondergrond en het watersysteem meer sturend zouden moeten zijn voor de ruimtelijke inrichting en keuzes van landgebruik. Maar het duurde nog tot enkele jaren geleden dat de opdracht ‘water en bodem sturend’ het regeerakkoord haalde.

De nota had 2020 als zichthorizon, we keken dus 20 jaar vooruit. Ik heb ‘de stoeptegel’ zoals de nota liefkozend werd genoemd in 2020 weer eens uit de kast gehaald om te zien in hoeverre ons beeld van 2020 klopte.

De nota bevat een interessante beschrijving over de verwachte ontwikkelingen in de stad en op het platteland en over het omgaan met verschillen. In de nota werd het beleid van de rode en groene contouren geïntroduceerd: dit is eigenlijk ingegeven door het verlangen om een duidelijk onderscheid te maken tussen de verstedelijkingsopgave en de ontwikkeling van de kwaliteit van natuur en landschap. Ruimtelijke ordening wordt gedreven door een zoektocht  naar een ‘optimale inrichting en benutting van ons land’ en vermengt per definitie daarmee verwachtingen met verlangen. De vijfde Nota haalde de eindstreep niet en luidde het einde in van beleidsterrein voor 20 jaar, maar dit terzijde.

In de nota is er veel aandacht voor waterbeheer: het was immers kort na de overstromingen van 1993 en 1995 en dat zat vers in het geheugen. De basis werd gelegd voor het programma ‘Ruimte voor de Rivier’.

Bij nalezing van de nota vallen een paar dingen écht op.

Er is, op een korte alinea na nauwelijks aandacht voor de ruimtelijke gevolgen van de energietransitie. Er wordt gerefereerd aan het Kyoto protocol en er is zelfs al beschreven hoe woonwijken zonder aardgas gebouwd kunnen worden: hadden we dat maar daadwerkelijk in gang gezet. Maar verder hadden we in 1999 nog nauwelijks zicht op de grote impact van wind op land én zee. Laat staan op de veranderingen in de energiesector en de opgave voor de energie infrastructuur waar we nu in vastlopen. Veel grote issues van vandaag ontbreken in de nota uit 1999.

We rekenden enorme hoeveelheid m2 kantoor oppervlak uit, omdat we geheel geen idee hadden van flexwerken of thuiswerken. Er stonden geen datacentra op de kaart en ook het oppervlak distributiecentra langs de snelwegen hadden we niet voorzien in 1999.

De nota was gebaseerd op vier scenario’s met stabiele economische groei: weinig, meer, veel of heel veel groei. Wat we in 1999 niet voorzagen was een financiële en economische crisis, de enorme problemen op de woningmarkt, een toenemende migratie én weerstand tegen migratie, de geopolitieke spanningen aan de Europese grenzen, de digitale revolutie of een pandemie.

In 2008 viel de bank Lehman Brothers om, volgde een financiële crisis waarin we grote banken nationaliseerden en de overheid zich genoodzaakt zag vervolgens fors te bezuinigen. In 2011 dook de Nederlandse economie in zware tijden.

In maart 2014, ik was toen lid van de RLI, maakten we  het RLI advies ‘kwaliteit zonder groei: over de toekomst van de leefomgeving’. In die tijd veroorzaakte de crisis een groot probleem rond de waardering van grondposities bij gemeenten. Er was bovendien heel weinig geld beschikbaar om te investeren in ruimtelijke kwaliteit, leegstand in kantoren, winkels en verwaarloosde bedrijventerreinen. Het RLI-advies beoogde ruimtelijke kwaliteit te ontkoppelen van economische groei, zodat dit minder conjunctuurgevoelig zou worden. Vlak nadat het advies verscheen, trok de economische groei weer aan waardoor het bestaande bekostigingsmodel van de openbare ruimte weer levensvatbaar werd en de urgentie verdween van het advies.

Terugkijkend op de 5e nota uit 2000 en dit RLi advies uit 2014, realiseer ik me dat we naar de toekomst hadden gekeken vanuit de ‘gemoedstoestand’ van het moment. In 1999 hadden we een rotsvast vertrouwen in onze democratie, in ruimtelijke ordening én in de economische groei. In 2014 waren we somber over de toekomst.

Onze gemoedstoestand bepaalde onze toekomstverwachtingen. Mijn conclusie uit deze terugblik is dat we goed zijn in het voorspellen van wat ongeveer hetzelfde blijft. Maar we zijn niet zo goed in het voorspellen van veranderingen die heel snel gaan, onvoorstelbaar zijn of die we domweg niet willen: geen enkel toekomstscenario houdt rekening met rampspoed, zoals overstromingen, een pandemie of oorlog.

Maar kunnen we dan zonder toekomstperspectief?

In 2019 verscheen het Rli advies: ‘Naar een duurzame economie. Overheidssturing op transities’. De eerste aanbeveling hierin is: ‘Ontwikkel een toekomstvisie, gericht op brede welvaart, als richtsnoer voor beleid’. De roep om een visie, om perspectief werd afgelopen jaren steeds sterker in de samenleving.

Dit brengt mij tot een ongemakkelijke conclusie, namelijk dat we in onze professionele wereld heel veel tijd besteden aan toekomstverkenningen en toekomstscenario’s maar dat we eerlijk gezegd helemaal niet zo goed zijn in het doordenken van de toekomst.

En zelfs als we die toekomst wél goed zouden kunnen overzien is dit nog niet voldoende om de toekomst met vertrouwen tegemoet te treden. Want hoe aansprekend sommige beelden over Nederland in 2120 ook kunnen zijn, we zien soms niet hoe we daar kunnen komen, wat passende wegen naar die toekomst zijn of hikken aan tegen de keuzes die we daarvoor moeten maken.

Misschien moeten we het dus anders aanpakken en het niet over toekomstverwachtingen maar toekomstdromen hebben. En onmogelijk is het niet.  Antoine de Saint-Exupery  verwoordde het zo: “Als je een schip wil bouwen, roep dan geen mannen en vrouwen bij elkaar om hen bevelen te geven, om ze elk detail uit te leggen, om ze te vertellen waar ze alles kunnen vinden. In plaats daarvan, leer ze verlangen naar de enorme eindeloze zee.”

De kernvraag is dus hoe we van toekomstverwachting naar toekomstverlangen kunnen komen.

Hoe kunnen we kijken naar de toekomst?

Onze missie bij Deltares is ‘Enabling Delta Life’: dat is een verlangen dat ik deel met 900 collega’s: bijdragen met kennis  opdat we in deze prachtige Noordwest Europese Delta en waar ook ter wereld, veilig, gezond, welvarend en volhoudbaar kunnen leven.

Het werkveld van Deltares, Deltamanagement en bodem- en waterbeheer, vraagt om een lange tijdshorizon. Wij moeten rekening houden met de onbekende en ongekende veranderingen in het klimaat en weten dat ingrepen in het watersysteem veel tijd in beslag nemen. Alhoewel de plannen van Johan van Veen voor onze Delta al klaar lagen vóór de watersnoodramp in 1953, duurde het toch ruim 40 jaar om de Deltawerken uit te voeren. Als we genoodzaakt zijn grote veranderingen door te voeren, bijvoorbeeld de afsluiting van de Rotterdamse Haven, dan zijn we zomaar 30-40 jaar verder en leven we in 2065. Omdat we, zoals eerder betoogd, niet zo heel goed zijn in het verkennen in de toekomst, maar wél verlangen naar onze Delta toekomst, moeten we dus op zoek naar een andere manier om aan de toekomst te werken.

We hebben daarvoor ‘adaptief deltamanagement’ ontwikkeld. In de kern komt het erop neer dat we in beeld brengen welke maatregelen nodig zijn onder welke omstandigheden, en vervolgens wanneer die omstandigheden – in de verschillende scenario’s – zouden kunnen optreden. Die informatie gebruik je bij het bepalen welke maatregelen nu al uitgevoerd moeten worden, en welke voorzieningen getroffen moeten worden om de opties voor langere termijn open te houden. Logische sets van maatregelen combineer je tot adaptatiepaden. Vaak zijn er meerdere overstap mogelijkheden en is onderzoek nodig om een verantwoorde keuze te maken. Bijvoorbeeld: de zeespiegel stijgt en de huidige waterkeringen zijn daar niet op ontworpen. Gaan we dijken versterken langs een zeearm of gaan we de zeearm afsluiten? De 10 tot 20 jaar tot dat moment noemen we ‘oplossingsruimte’: die tijd is geen ‘uitsteltijd’ maar tijd die we intensief benutten om alles te doen wat nodig is om deze knoop tijdig door te hakken. Kennis ontwikkelen, maatschappelijk debat voeren, scenario’s en alternatieven uitwerken.

De kunst hierbij is de ‘noodzaak tot handelen vanuit verwachte klimaatverandering’ te verbinden met ‘de wens tot veranderen vanuit verlangen en ambitie over de inrichting van de ruimte’. Want op deze manier wordt klimaatadaptatie een kans.

We verbinden zo verwachtingen met verlangen, zoals we bij Ruimte voor de Rivier en de Zwakke Schakels in de Kust deden: anticiperen op zeespiegelstijging en rivierafvoeren enerzijds én ruimtelijke kwaliteit en natuur anderzijds: met prachtige resultaten in het Riviergebied en langs onze kust.

Het vorige week verschenen Rli advies heeft deze benadering verder uitgewerkt en van praktische aanbevelingen voorzien voor de ruimtelijke ordening. Hoewel we geneigd zijn om de adaptatieopgave als een zware last te beschouwen denk ik dat we blij mogen zijn dat we in Nederland ons kunnen aanpassen, in tegenstelling tot veel ander plekken op aarde die langzamerhand onbewoonbaar dreigen te worden.

We kunnen vertrouwen op de vindingrijkheid van de generaties die na ons komen: zij zullen weer nieuwe inzichten en innovaties hebben om met de uitdagingen in de toekomst om te gaan. En ze hebben recht op hun eigen verlangen naar de toekomst. Met adaptief Deltamanagement nemen we in het heden verantwoordelijkheid voor een toekomst zonder precies te weten wat er allemaal nog meer verscholen ligt achter de horizon.

Wat zijn de randvoorwaarden om deze omgang met de toekomst succesvol te laten zijn?

Ik kan geen krant meer openslaan of ik lees artikelen en brieven waarin wordt uitgelegd dat onze kinderen het minder goed zullen hebben dan wij. Dit houdt me bezig omdat ik er van overtuigd ben dat dit een ondragelijke en ook onacceptabele overtuiging is. Maar ik kan niet ontkennen dat ik me eveneens zorgen maak over de toekomst van mijn kinderen: zullen zij een huis vinden, wat gaat klimaatverandering voor hen betekenen en komt er een oorlog waar zij in moeten vechten?

Op die momenten realiseer ik me dat deze collectieve mindset maakt dat mensen bezorgd of bang zijn voor de toekomst en niet verliefd.

Mijn inspiratie ontleen ik aan de woorden van de Oostenrijkse filosoof Karl Popper:

‘Optimisme is een plicht. De toekomst ligt open. Het is niet vooraf bepaald. Niemand kan het voorspellen, behalve bij toeval. We dragen allemaal bij aan het bepalen ervan door wat we doen. We zijn allemaal in gelijke mate verantwoordelijk voor het succes ervan’.

Mijn ouders trouwden in het vertrouwen dat er een gezamenlijke toekomst voor hen was. Zij deelden belangrijke waarden in het leven, ze accepteerden hun verschillen en vulden elkaar aan. En ze beloofden elkaar bij te staan in voor- en tegenspoed. Zij droegen samen de verantwoordelijkheid voor hun Toekomst, wat die ook ‘brengen moge’. Na 61 jaar voelden zij zich gezegend én beproefd door het leven.

Dit brengt me bij het belang van gedeelde waarden, loyaliteit en veerkracht om ook in onze professionele setting de toekomst met vertrouwen tegemoet te treden: naast het aanwakkeren van verlangen  zijn deze bouwstenen van vertrouwen drie onmisbare randvoorwaarden om weer verliefd te kunnen worden op de toekomst.

De mensen die mij kennen, weten dat ik graag begin bij het zoeken naar gedeelde waarden.

In de beginfase waarin het Deltaprogramma vorm en inhoud kreeg, hebben we de basiswaarden van de delta community in kaart gebracht. Solidariteit met toekomstige generaties is een belangrijk onderdeel daarvan. De huidige generatie heeft, als ‘goed voorouder’ de verantwoordelijkheid om voldoende beslisruimte na te laten. Dat houdt in dat potentieel aantrekkelijke lange termijn opties in beeld worden gebracht en dat de maatregelen getroffen worden om die opties ook daadwerkelijk open te houden.

In het Rli-advies ‘Verbindend Landschap’ gingen we in gesprek met inwoners van de Ronde Venen en het Westland over de onvervreemdbare waarden van hun gebied en hun visie op de toekomst van hun leefomgeving. We leerden dat mensen niet tégen veranderingen zijn, maar zich zorgen maken en verzetten tegen het verlies van waarden die belangrijk voor ze zijn.

Bij het recent uitgebrachte Rli advies  ‘Goed gefundeerd’ hebben we expliciet gekozen voor een waardenbasis die start met de wens de funderingsproblematiek zo effectief mogelijk aan te pakken. Dat klinkt als een open deur, maar leidt tot andere keuzes in de uitwerking dan wanneer we gekozen zouden hebben voor ‘zo goedkoop mogelijk’. Welke waarden je het belangrijkste maakt bepaalt de weging van de oplossingen. Zelf vind ik het nog steeds een gemiste kans dat we bij het klimaatakkoord als vertrekpunt ‘het meest doelmatige maatregelenpakket bezien vanuit Nationale Kosten’ hebben opgesteld, en nauwelijks rekenschap hebben gegeven van de rechtvaardigheid, solidariteit en verdeling van de rekening.

Kortom, ik denk dat we als we het over de toekomst willen hebben we op zoek moeten naar gedeelde waarden.

Daarnaast zijn loyaliteit en veerkracht van belang.

Vertrouwen omvat het woord trouw en bouwt ook op loyaliteit: Als we onze omgang met de toekomst succesvol willen laten zijn, moeten we ook bereid zijn om ons aan elkaar te verbinden, bij te staan in voor en tegenspoed, mee te bewegen met het onverwachte. Dit stelt bijzondere eisen aan de politiek, het bestuur, de overheid, de markt en maatschappij. Herstel van vertrouwen staat hoog op de agenda, maar weten we wel hoe we dat moeten aanpakken als professionele gemeenschap. Het herstel van verbinding vraagt van de publieke sector, waar ik voor het gemak de Rli en Deltares ook toe reken, empathie en het waarmaken van beloftes: dus eerlijkheid over wat we wel en niet kunnen beloven, wat we wél en niet zeker weten.

Mijn interpretatie van Poppers woorden is dat we niet kunnen weten hoe onze toekomst eruit zal zien, hoe lang we leven, of en wanneer we ziek worden en hoe het leven van onze geliefden zal verlopen. Iedereen moet leven met deze onzekerheden en leren omgaan met voor- en tegenspoed. Door de beproevingen in mijn leven heb ik mijn veerkracht leren kennen en gebruiken.

Veerkracht moeten we ook in het beleid serieus nemen: we stellen het liefst doelen en pinnen die vast in jaartallen. En beschouwen afwijken daarvan vervolgens als nederlaag, als slapheid of opportunisme. Maar in het huwelijk van mijn ouders vormde het bijstellen van verwachtingen, het aanpassen aan de mogelijkheden juist de veerkracht om met vertrouwen de toekomst tegemoet te treden.

Veerkrachtig beleid kan tegen een stootje en is aanpasbaar aan de omstandigheden. Zolang het de gedeelde waarden en toekomst samen maar niet ondermijnt.

Verliefd worden op de toekomst

Dames en heren, ik sluit af.

Het is de hoogste tijd weer verliefd te worden op de toekomst. Om ons niet te laten leiden door de soms sombere gemoedstoestand van dit moment. Domweg omdat die niet veel zeggingskracht heeft over onze toekomst. Maar mogelijk wel ons handelen en onze eigen verantwoordelijkheid stuurt.

Wat wél veel kan betekenen, is het aanboren van ons verlangen naar de toekomst. Om vanuit gedeelde waarden en loyaliteit vertrouwen te hebben in onze veerkracht. In de mooie dingen die in de toekomst verborgen liggen. Onze zegeningen te tellen. Maar ook vertrouwen te hebben in ons vermogen met beproevingen om te gaan. Weten en aanvaarden dat onze toekomst niet maakbaar is, maar dat we wel verantwoordelijk zijn voor onze keuzes én ons vermogen om te vallen en weer op te staan.

Zoals beschreven in het prachtige lied Beter, van Blof.

“Wachten tot de zon opkomt
Is een manier om altijd weer het licht te zien
En de nacht weer te vergeten
Starend naar de horizon
Heeft iets van niet meer kijken
Van steeds weer verder reiken
Naar wat jij eerst niet kon

Het wordt beter
Met elkaar wordt het beter
En we weten dat morgen vlakbij is
En zo weer voorbij is
We zijn groter
Bij elkaar zijn we groter
Dus we proosten op dagen

Vol zonlicht dat ieder gewicht dragen kan”